Header image  
Kerkmusicus en docent  
line decor
  
line decor
 
 
 
 
 
 
 
Persberichten

 

Groot Vlaardingen 30 januari 2008

Bach preekt met muziek    Cantatediensten vieren derde lustrum

NRC 15 januari 2007

Een octaaf is God de Vader, een kwart is de Heilige Geest

Vox Humana 19e jaargang - nummer 1 - januari 2008

Van harmonium tot doctor

Den Haag Centraal 14 januari 2008

Bach componeerde een preek in klank

Nederlands Dagblad 30 november 2007

Muziek en zang eren God het meest

arie eikelboom

door roel sikkema

Calvijn als man van de psalmen en Luther van de gezangen. Van dat stereotiepe beeld is de Haagse kerkmusicus Arie Eikelboom na zijn promotiestudie wel af. ,,Luther ging anders met de psalmen om dan Calvijn, maar ze werden in de lutherse traditie beslist niet veronachtzaamd. De jongens op de koorschool van Bach moesten ze alle honderdvijftig uit het hoofd leren.’’ Gisteren promoveerde Eikelboom op een dissertatie over Bachs motet ‘Jesu, meine Freude’ BWV 227 aan de universiteit van Groningen.
Bach schreef zijn kerkmuziek niet ter verpozing. Hij had een verhaal te vertellen, een Bijbels verhaal, zegt Eikelboom. Bachs motto was: ik maak muziek om God te eren en de naaste te beleren. Dat is ook duidelijk bij het motet BWV 227, dat de kern van het christelijk geloof bevat. Het is een praedicatio sonora, een muzikale preek.

Eikelboom heeft daarvoor verschillende argumenten. ,,Allereerst tekstuele. Bach wisselt de coupletten van het koraal af met Romeinen 8 : 1, 2, 9, 10 en 11. Dat lijken nogal willekeurig gekozen teksten, maar daarin is juist de kern van het lutherse geloof te vinden. Het gaat over het werk van de Geest die het geloof in Jezus Christus bewerkt, waardoor de gelovige gered wordt en uit de dood wordt opgewekt om Christus te eren. Er valt nog een driedeling op: het gaat eerst over het leven op aarde, daarna over de voorwaarde voor de overgang van een aards naar een geestelijk leven en ten slotte over het leven na de dood. De vijf fragmenten uit Romeinen en de zes coupletten van het lied leveren zo een mooie elfdelige structuur op.’’

En die teksten worden dan versterkt en onderstreept door de muziek?
,,Ja. Bach maakte verschillende zettingen voor de coupletten. In de muziek waarin hij de Bijbelteksten laat horen, onderstreepte hij bepaalde woorden door muzikale stijlmiddelen. Dat deed hij door steeds dezelfde intervallen bij bepaalde woorden te gebruiken en door stiltes in te lassen – bijvoorbeeld bij het woord ‘nichts’ bij Romeinen 8 : 1 (Es ist nun nichts verdammlichs). Zo paste hij regels uit de retorica en de affectenleer toe. De retorica is het stelsel van regels die voorschrijven hoe een goed betoog kan worden opgebouwd. Bij affecten gaat het om een gemoedstoestand die ‘het gevolg is van verandering van vapors of temperamenten’, zoals H.H. Eggebrecht definieert.’’

Specifieke intervallen bij bepaalde woorden of begrippen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
,,Bijvoorbeeld: het octaaf werd als een volkomen interval gezien, dat verwijst naar God de Vader. De kwint verwijst naar God de Zoon en de kwart naar de Heilige Geest.’’
Hoe kwam Bach aan zulke regels?
,,Het gebruik van getallen in de muziek dateert uit de middeleeuwen. Muziek was toen onderdeel van de wiskunde, men zocht harmonie in vaste getalsverhoudingen die je ook terugziet in de architectuur. Alles had zijn vaste maat en was daarmee een verwijzing naar God zelf. Die visie werd gebaseerd op een tekst uit het apocriefe boek De wijsheden van Salomo: ‘Alles hebt Gij naar maat, getal en gewicht geordend’. In getalsverwijzingen gaat Bach heel ver, zo hebben het aantal maten en soms het aantal noten een betekenis. Wanneer hij ergens 22 noten gebruikt, kan dat heel goed een verwijzing naar Psalm 22 zijn, ‘Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?’. Want hij kende z’n psalmen heel goed.’’

Uit het hoofd
Dus het beeld van Calvijn als de man van de psalmen en Luther als de man van gezangen klopt niet?
,,Het is in ieder geval onvolledig. Ook Luther kende de psalmen door en door, maar bij hem hadden ze een andere functie dan bij Calvijn. Luthers rechterhand Melanchthon stelde een ‘Schulordnung’ op waarbij de leerlingen alle honderdvijftig psalmen uit hun hoofd moesten leren. Dat gold ook de scholen die Bach als jongen bezocht. Luther vond de psalmen belangrijk omdat ze volgens hem alle naar Christus verwijzen. Calvijn zag de psalmen meer als liederen waarin alles wat zich tussen God en mensen afspeelt, aan de orde komt. Hij herkende zijn eigen leven in de teksten van David. Luther ging op een andere manier met de Bijbel om dan Calvijn. Volgens Luther wordt de Bijbel pas het levende Woord, wanneer die ‘inn Schwanck’ komt. Wanneer het Woord gaat ‘trillen’, wat gebeurt wanneer je van je geloof gaat zingen. Daarom was muziek voor hem een wezenlijk onderdeel voor de eredienst. Bij Calvijn sprak het Woord al, wanneer je de Bijbel op je schoot las. Luther zag – helemaal vanuit die middeleeuwse benadering – muziek als een scheppingsgave. God had de muziek gemaakt voor de zondeval, harmonieën verwijzen naar de harmonie van de schepping. Daarom was die voor hem essentieel in de eredienst. Voor Calvijn was muziek een menselijke uitvinding.’’

Hebt u tijdens uw studie belangrijke ontdekkingen gedaan?
,,In de eerste plaats de vele psalmverwijzingen die Bach niet alleen in dit motet maar ook in andere vocale muziek heeft verstopt. Wat de instrumentale muziek betreft, zou het interessant zijn te kijken of ze ook in zijn koraalbewerkingen voor orgel te vinden zijn. In de tweede plaats de vaste intervallen bij bepaalde begrippen en woorden. Bach laat heel vaak een kleine sext horen bij het woord ‘erbarmen’ of een vergelijkbaar begrip. Nu kunnen critici zeggen dat Bach dit niet altijd bij dit woord doet. Dat klopt, maar in dat geval wil hij kennelijk een ander woord uit de zin muzikaal beklemtonen. Het is interessant te onderzoeken welk woord dat dan is en waarom.’’

Heeft zo’n promotie ook nut voor de hedendaagse muziekpraktijk?
,,Bach gebruikte allerlei retorische middelen en het is goed te ontdekken welke dat zijn. Daardoor kun je nog beter naar zijn muziek luisteren. Daarom vind ik dat je om Bach goed te kunnen begrijpen, kennis moet hebben van de muziekopvatting en de theologie van zijn tijd. En dat het gewenst is dat bij de uitvoering van Bachs cantates in kerkdiensten die kennis wordt doorgegeven. Uit zo’n toelichting is dit proefschrift ontstaan.’’

Nood van de wereld
Wat is volgens u liturgie?
,,Liturgie is de samenkomst van de wereld voor Gods aangezicht. Niet alleen van de kerkelijke gemeente. Daarom bidden en zingen we ook over de nood in de hele wereld. Psalm 13 geeft stem aan de ontheemde vrouw in Darfur, Psalm 11 aan de man die net heeft gehoord dat hij aan een ongeneeslijke ziekte lijdt.’’

Maar u wilt ook meer dan psalmen zingen?
,,Ja, omdat elk lied – ook een psalm – maar een klein deel van de Bijbelse boodschap kan belichten. Ons zingen is steeds onvolledig en daarom hebben wij liederen uit het verleden nodig. Nicolaï, Beets en Oosterhuis zijn alle drie eenzijdig, maar hebben ook alle drie een beetje gelijk. Om een paar voorbeelden te noemen: voor Ambrosius was de opgaande zon een teken van de opstanding. En Nicolaï bezong de liefde tussen God en de mens. De zondeval was voor hem allereerst dat Adam de liefdesband met God verbrak. Natuurlijk zijn beide benaderingen eenzijdig.’’

Leeft dat besef voldoende bij liturgen?
,,Ik weet natuurlijk niet wat er overal gebeurt, maar wat ik zo hier en daar opvang, stemt me niet vrolijk. Ik ben erg bang voor het oprukken van het evangelicale lied. Ik vind Opwekking erg oppervlakkig met z’n nadruk op blijheid en de persoonlijke band met Jezus.’’
Vindt u met Luther dat het Woord van God ‘inn Schwanck’ moet worden gebracht?
,,Jazeker, muziek is een wezenlijk onderdeel van de liturgie. Je kunt een eredienst niet zonder muziek en zang voorstellen, daarin eren we God het meest.’’

Harmonium
Komt u uit een luthers nest?
,,O nee, beslist niet. Mijn wieg stond in de Rotterdamse wijk Oud-Mathenesse. Mijn ouders waren lid van de vrijgemaakt-gereformeerde kerk in Delfshaven. Toen ik op de lagere school zat, hadden we nog geen eigen kerk en kerkten we in de Oude Kerk, de Pilgrimsfatherskerk. Ik denk dat daar mijn interesse in de kerkmuziek is begonnen. Dat werd verder gestimuleerd door het zingen thuis. Mijn moeder speelde zondagavond op het harmonium en we zongen dan allerlei liederen. Niet alleen psalmen, maar ook Johannes de Heer en andere liederen. Ik kreeg vanaf mijn achtste jaar orgelles en heb op mijn dertiende m’n eerste kerkdienst gespeeld. Ik werd toen vervanger van Wim Roos, die organist was in de kerk van Delfshaven.’’

Toch bent u niet vrijgemaakt gebleven.
,,Nee, mijn eerste twijfels kwamen op de mid-delbare school. Ik was kritisch, ik stelde soms moeilijke vragen aan de godsdienstleraar. Mijn twijfels werden sterker toen ik in mijn conservatoriumtijd invaller werd in een ‘gewone’ Gereformeerde Kerk (synodaal zeiden we toen). Ik had geleerd dat dit een foute kerk was, maar die bleek niet veel van de onze te verschillen. De echte breuk kwam toen ik een functie als cantororganist bij een hervormde kerk aannam. Dat was onverenigbaar met mijn lidmaatschap van de vrijgemaakte kerk, ik kwam onder censuur en werd uiteindelijk afgesneden. Dat was een heel vervelende tijd.’’

In 1975 werd u na Adriaan Schuurman cantororganist aan de Haagse Maranathakerk. Was het niet moeilijk zo’n bekende musicus op te volgen?
,,Schuurman was mijn leermeester aan het conservatorium en wilde mij wel graag als opvolger. Toch heeft hij op die keuze geen enkele invloed uitgeoefend. Er werd een proefspel georganiseerd waaruit ik werd gekozen. Ik heb daar een bijzonder interessante tijd gehad, vooral onder ds. Wim van der Zee, die mij erg heeft gestimuleerd.’’

Biblische Sonaten
Zo’n baan als cantororganist is in Nederland nergens voltijds. Wat deed u daarnaast?
,,Vanaf 1970 was ik eerst docent muziek aan een aantal middelbare scholen en vanaf 1976 aan een PA (de voorloper van de pabo) in Rotterdam. In 1988 nam het aantal studenten sterk af en kon ik daar niet blijven. Gelukkig was er geld beschikbaar voor een studie, en toen heb ik een doctoraalstudie muziektheorie gevolgd. In 1990 studeerde ik af op een scriptie over de ‘Biblische Sonaten’ van Johann Kuhnau, de voorloper van Bach als Thomascantor.

Intussen schreef ik geregeld artikelen over hymnologie in een organistenblad. Mede daarom werd ik in 1983 gevraagd om parttime docent hymnologie te worden aan het Instituut voor Kerkmuziek in Utrecht. Dat was eerst rooms-katholiek, maar ging zich toen verbreden. Ze zochten een protestantse hymnoloog. In 1989 fuseerde dit instituut met het Utrechts Conservatorium. Daar was toen een vacature muziekgeschiedenis, die ik kon vervullen. Dat ging zo door tot twee jaar geleden, toen ik met de fpu kon en gelegenheid kreeg om mijn promotiestudie te gaan doen.’’

Waarom bent u niet op Kuhnau afgestudeerd?
,,Dat was oorspronkelijk ook de bedoeling. Ik ben ook wel begonnen aan die studie, maar door allerlei oorzaken kwam het er niet van. Dat het uiteindelijk dit motet van Bach werd, heeft te maken met toelichtingen die ik op dit werk heb gemaakt voor concerten van het koor Magister Cantat, waarvan ik dirigent ben. Ik liet die aan wat mensen zien, die me stimuleerden om dat uit te werken tot een proefschrift.’’

Valt u nu niet in een ‘gat’ wat uw tijd betreft?
,,Het zal inderdaad even wennen zijn om niet meer met het proefschrift bezig te zijn. Maar ik heb nog genoeg plannen. Zo zou ik graag een overzichtswerk over hymnologie maken, want dat is momenteel in Nederland niet beschikbaar.’’
Arie Eikelboom is op donderdag 29 september gepromoveerd tot doctor in de muziekwetenschappen aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Promotor was prof.dr. A.L. Molendijk met dr. J.R. Luth als copromotor. Van zijn proefschrift is een handelseditie verschenen onder de titel ‘ Jesu, meine Freude BWV 227 van Johann Sebastian Bach, een praedicatio sonora’ (Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2007. 432 blz. € 34,90).

 
Reformatorisch Dagblad 26 november 2007

Motet als preek in klank
26-11-2007 10:12 | Jaco van der Knijff
/media/Arie Eikelboom promoveert op ”Jesu, meine Freude” van Bach
Arie Eikelboom promoveert op ”Jesu, meine Freude” van Bach
Wat begon als een boekje met achtergrondinformatie voor zijn kamerkoor, groeide uit tot een proefschrift waarin musicus Arie Eikelboom het motet ”Jesu, meine Freude” van Johann Sebastian Bach helemaal uitbeent. „Deze compositie is een consequent theologisch commentaar op koraal en Bijbeltekst, en daarmee een preek in klank.”
Met Bach is Eikelboom (1948) vanaf zijn jeugd vertrouwd geweest. Geboren in een gereformeerd gezin, groeide hij op bij psalmen, harmonium en kerkorgel. „Via het orgelspelen kwam ik vanzelf bij Bach.” Door zijn muziekopleiding -hij studeerde schoolmuziek, kerkmuziek, klavecimbel, orgel, muziektheorie en muziekwetenschap- ging hij op een meer wetenschappelijke manier naar de kerkmuzikale composities uit de barok kijken, terwijl zijn koor Magister Cantat uit Schiedam hem stimuleerde om de vocale werken van Bach uit te voeren; het eerste werk dat hij dertig jaar geleden met het koor instudeerde, was ”Jesu, meine Freude” (BWV 227).
Inmiddels ligt er een lijvig proefschrift, dat Eikelboom donderdag aan de Rijksuniversiteit Groningen verdedigt. In zijn onderzoek -dat bij Boekencentrum in een handelseditie verschijnt- stelt de Hagenaar met nadruk dat het van het grootste belang is de kerkmuzikale composities van Bach te bezien vanuit de situatie van die tijd. „Een compositie als ”Jesu, meine Freude” kun je onmogelijk goed begrijpen zonder kennis te hebben van het theologisch klimaat van die tijd en van de muziekopvatting van Bach.”
De context waarin Bach componeerde, komt vooral tot uitdrukking in het doel dat de componist met zijn werk had. „Het ging Bach nooit alleen om de esthetische ervaring. Hij schreef tot eer van God en tot lering van de luisteraar. Dat is precies wat Luther het doel van de muziek noemde: de Bijbel tot leven wekken. ”Jesu, meine Freude” heb ik dan ook bestudeerd als een ambachtelijk eerbetoon aan God en een exegetisch commentaar op de tekst.”
Bijzondere structuur
BWV 227 is een bijzondere compositie, stelt Eikelboom. „Het is van de zeven bewaard gebleven motetten van Bach het enige waarin een Bijbeltekst, een deel van Romeinen 8, gecombineerd wordt met een compleet luthers lied, het gelijknamige koraal van Johann Franck. Daarbij is het het enige motet dat voor een drie- tot vijfstemmig koor is geschreven. Bovendien heeft het een bijzondere structuur: de compositie bestaat uit elf delen, waarbij Bach begint en eindigt met een koraal, en precies in het midden een fuga laat klinken, dé vorm waarmee Bach z’n kunnen toont.”
Belangrijker dan de symmetrische vorm van de compositie is volgens Eikelboom echter dat Bach op alle mogelijke manieren theologische motieven in zijn muziek verwerkt. Het aantal maten, de toonsoort, de maatsoort, de verschillende intervallen in de muziek, het aantal stemmen die zingen: met alles heeft Bach een diepe bedoeling gehad, aldus Eikelboom.
Als het gaat om de toonafstanden (intervallen), deed de promovendus naar zijn zeggen een belangrijke ontdekking. „De analyses laten zien dat Bach een interval soms als een directe illustratie bij een woord gebruikt. De toonafstand kwint komt dan voor bij Jezus, de kwart bij de Heilige Geest en het octaaf bij God.” Ook zou Bach met het aantal maten van een onderdeel, of met het aantal keren dat hij een muzikale figuur gebruikt, regelmatig verwijzen naar de Psalmen. „Als in de bewerking van de eerste strofe, met de tekst ”Jesu, meine Freude”, 33 keer de zogenaamde figura corta wordt gebruikt, verwijst Bach daarmee naar Psalm 33, die de vreugde als thema heeft.”
Is dit niet tamelijk speculatief?
„Dat is natuurlijk wat ze me tijdens de verdediging gaan vragen. Natuurlijk blijft het gissen, maar ik probeer elke speculatie met argumenten te onderbouwen. Als ik in het laatste hoofdstuk het aantal maten van de hele compositie optel, dat zijn er 465, dan kom ik niet verder dan een poging tot duiding. Het getal 465 komt dan ook slechts één keer elders bij Bach voor. Het is de som van de letters van de aria ”Auf ihm magst du es wagen” uit cantate BWV 107. Maar kom je bijvoorbeeld de getallen 14 en 41 tegen, dan kun je met zekerheid stellen dat Bach daar iets mee heeft willen zeggen.”
Bach is groot geworden in een wereld waarin het getal een symbool was, stelt Eikelboom met nadruk. „Lees de theologische en muzikale bronnen uit de tijd van Bach, vooral het werk van Andreas Werckmeister, en je ziet dat bijna elk getal ergens voor stond. Zei je bijvoorbeeld 24, dan dacht je aan de 24 oudsten in de hemel; 24 staat dus voor de eschatologie. Vervolgens kijk je met die kennis naar het vierde deel van het motet, met de tekst uit Romeinen 8:2 over de wet van de Geest die vrijmaakt. Dat onderdeel heeft 24 maten. Daarmee verwijst Bach naar mijn inzicht naar het eschatologische aspect van die tekst: in de hemel geldt de wet van de zonde en de dood niet meer. Zo’n stuk móét eenvoudigweg in 24 maten, en niet in 25.”
Niet alleen groeide Bach op met de wereld van de getallen, hij speelde er ook mee. „Het is bijvoorbeeld bekend dat Bach en Johann Walther elkaar canons toestuurden waarin allerlei boodschappen verstopt zaten. Ook Picander, de man die veel teksten voor Bach heeft geschreven, stuurde gedichten naar de Thomascantor, die de raadsels eruit moest zien te halen. Welnu, mijn onderzoek maakt duidelijk dat Bach ook in ”Jesu, meine Freude” allerlei theologische boodschappen heeft verwerkt. Daarmee is de compositie een zogenaamd lusus ingenium (spel voor het verstand).”
Oefenmateriaal
In zijn onderzoek stelt Eikelboom dat Bach zijn motet naar alle waarschijnlijkheid schreef als oefenmateriaal voor de jongens van de Thomasschule. „Het stuk werd niet gebruikt in de eredienst, dat is vrijwel zeker. De motetvorm was in die dagen verdrongen door de cantate. De motetten die nog wel in de lutherse eredienst in Leipzig klonken, waren van de hand van andere componisten. Alles wijst er mijns inziens op dat Bach het stuk als geheel aan het eind van zijn leven voor educatieve doeleinden heeft gemaakt. In de compositie is dan ook de kern van de lutherse theologie verwoord, waarmee de jongens op die manier vertrouwd raakten. Een soort catechese dus.”
Bachs opvolgers aan de Thomasschule hebben de motetten nooit geschrapt van de repetitieroosters. En ook in andere kringen bleef men deze composities waarderen, terwijl Bachs andere vocale composities al in zijn tijd weerstand opriepen en na zijn dood uit het repertoire voor kerkelijk gebruik verdwenen. „De motetten speelden bij de herontdekking en herwaardering van Bachs vocale composities, aan het begin van de 19e eeuw, dan ook een belangrijke rol”, aldus Eikelboom.
Wat is de actualiteit van een gespecialiseerd onderzoek naar een motet van Bach?
„Wie mijn boek heeft gelezen, gaat bewuster naar de muziek van Bach luisteren. Ik heb het daarom expres in het Nederlands geschreven, ondanks het feit dat de meeste publicaties in het Bachonderzoek in het Duits verschijnen. Als je in mijn onderzoek hebt gezien waarom Bach in een meerstemmig stuk ineens een deel eenstemmig laat zingen, veer je op als je iets dergelijks tegenkomt in de cantate ”Ein feste Burg”. Je wordt oplettend als luisteraar. Mensen in die tijd waren gepokt en gemazeld in de muzikale taal die Bach hanteert. Wij zijn dat kwijtgeraakt. Een rationalistische analyse van zo’n compositie kan erbij helpen de boodschappen die erin verborgen zitten te leren verstaan.”
Welke uitvoering van BWV 227 is u dierbaar?
„De manier waarop Philippe Herreweghe met zijn Chapelle Royale dit motet uitvoert, vind ik heel mooi. En natuurlijk de manier waarop m’n eigen koor het stuk zingt.”
Stellingen
Bij zijn proefschrift formuleerde Arie Eikelboom twaalf stellingen, waarin hij onder andere de brug slaat naar de kerkmuziek in Nederland.
Stelling 6: Nederlandse calvinistische predikanten (vooral ter rechterzijde) hebben zich bij de keuze van de berijmde psalmen in kerkdiensten vaak laten leiden door het schema van de Heidelbergse Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid.
Stelling 7: De keuze van strofen uit de psalmen volgens het schema van de Heidelbergse Catechismus heeft een speciale Nederlandse wijze van orgelbegeleiding van psalmgezang als gevolg gehad.
Stelling 8: De beperking van de kerkzang tot het berijmde psalter heeft ertoe geleid dat de psalmen hier te lande persoonlijke geestelijke liederen zijn geworden.
Stelling 9: Hymnologie en muzikale vorming dienen deel uit te maken van de opleiding tot predikant.
Stelling 10: Luthers opvatting dat de bijbel een levende bron voor het geloof wordt als de tekst daarvan ’inn Schwanck geht’, heeft als consequentie dat een predikant die niet kan zingen een contradictio in terminis is.

 

 

 
Nieuwsbrief Rijksuniversiteit Groningen 20 november 2007

Nieuwsbrief RUG - 20 november 2007- Promotie Arie Eikelboom

Johann Sebastian BachJohann Sebastian Bach componeerde om God te eren

Albert Schweitzers karakterisering van het motet Jesu, meine Freude van Johann Sebastian Bach als een ‘Preek over leven en dood’ blijkt adequaat te zijn; Bach liet zich bij zijn wijze van componeren sterk inspireren door zijn theologische opvattingen. Theologische inhoud was voor hem belangrijker dan bijvoorbeeld esthetiek of symmetrie. Bach componeerde om God te eren en de mens te onderwijzen. Dat is de conclusie van Arie Eikelboom die het motet diepgaand onderzocht op zijn muzikale aspecten.

Een motet is een meerstemmige vocale compositie, waarin een bijbeltekst soms in combinatie met een koraal is getoonzet. In het geval van Jesu, meine Freude BWV 227 gaat het om een piëtistische tekst van Johann Franck in combinatie met enkele verzen uit het bijbelboek Romeinen. De twee teksten hebben een overeenkomstige opbouw; het eerste gedeelte heeft betrekking op het aardse bestaan en het slot is eschatologisch van karakter, waarbij de centrale positie van Jesus wordt benadrukt bij de verlossing van de gelovige. Bij de structuur van het motet blijken de tekst en de eschatologische climax daarin bepalend te zijn geweest voor Bachs keuze van maatsoort, toonsoort en toedeling van het stemmenaantal. Het streven naar symmetrie lijkt wel een rol te hebben gespeeld, maar was voor Bach minder belangrijk dan tekstuele overwegingen.
Bach en Luther
Bach stond wat betreft zijn muziekopvattingen in de traditie van Luther. Volgens Luther was de bijbel een inspiratiebron voor het geloof, maar om dat te kunnen zijn was het noodzakelijk de bijbeltekst in combinatie met muziek tot leven te brengen. Muziek was in deze visie van wezenlijk belang bij het opwekken en in stand houden van het geloof. Hoogstwaarschijnlijk componeerde Bach het motet als leer- en oefenstuk voor de jongens van de Thomasschule in Leipzig waar hij vanaf 1723 als kantor werkzaam was. Bach kon met dit werk de kern van de lutherse theologie en de verbondenheid tussen muziek en tekst aan de koorzangers duidelijk maken.
Bach indertijd ouderwets
In de tijd dat Bach in Leipzig werkte, veranderde de muziekopvatting van waaruit hij werkte al. Bach volgde die verandering niet en werd daarom als een ouderwets componist beschouwd. Het negatieve oordeel betrof vooral zijn vocale composities. De manier waarop Bach intervallen, harmonie, metriek en ritmiek in dienst van de tekst stelde, werd niet meer begrepen en als te gecompliceerd en overdadig ervaren. Hoewel de waardering van Bachs composities vanaf het midden van de 19e eeuw is toegenomen, blijkt uit Eikelbooms studie dat ze alleen maar goed te begrijpen zijn als bij de interpretatie wordt uitgegaan van de muziekopvatting en de theologie waarin Bach opgroeide.

 
NRC 12 februari 2007

Psalmen klinken weer als vrome orkanen


Psalmenoproer Maassluis